Afbeelding

Nieuwsmijder

Column

Elk jaar worden er woorden toegevoegd aan de zestig miljoen die onze taal inmiddels telt. Meestal zijn het samengestelde woorden die betrekking hebben op de actualiteit of trends, niet zelden Engelstalig. Zo meldt het Instituut voor de Nederlandse taal recent traktatiecultuur (dat taartje heb ik wel verdiend), verpannenkoekisering (plat vermaak in het bos), smoesflatie (duur verkochte smoesjes), ghostlighting (spoken op de weg naar de liefde) en weerwaarschuwingswoede (woede om toch niet zulk slecht weer).

Actueel is ook ‘nieuwsmijder’. Daarmee worden mensen bedoeld die selectief nieuws kijken. Ik ben allergisch voor trends, maar dit woord spreekt me aan. Want ik heb het er wel mee gehad, met alle doffe ellende die ik over me heen gestort krijg als ik m’n best doe om op de hoogte te blijven van ‘De toestand in de wereld’. Het is niet het feit dát er van alles gebeurt - ellende is van alle tijden en mensen lijken niets te leren - het is de onkiese overdaad aan bij deze gebeurtenissen behorende beelden die over mij wordt uitgestort. Hoeveel gerafelde doden, jammerende mensen en tot puin gebombardeerde gebouwen heb ik de afgelopen maanden niet langs zien komen? Hoeveel pijn heb ik de laatste tijd niet gezien en gehoord? Hoeveel oprechte en terechte wanhoop, verdriet en volslagen onbegrip; hoeveel kinderen die als lappenpopjes in doeken door huilende ouders worden afgevoerd? Ja, ik ben nieuwsmijder geworden. Ooit vond ik dat ik mijn ogen niet voor al dat leed mocht sluiten, dat ik op afstand toch solidair moest zijn, maar ik ben daar anders over gaan denken.

Waarom moeten we steeds alles zien alsof we er bij staan? En steeds opnieuw? Wat is daar de nieuwswaarde van, de meerwaarde? Zijn het kijkcijfers, gretige oorlogsverslaggevers, omdat het kan? We consumeren leed als Unox-worst. Na duizend dode kinderen en duizend keer een bloedend hart rest de vraag: hoe krankzinnig is de mens?
Dus dank u, geen worst meer, ik ben voldaan.
En alsjeblieft geen dode kinderen meer: ik kan ze niet meer verdragen.

Marjolijn Sengers